HOORN - Het veel besproken standbeeld van Jan Pieterszoon Coen hoort op de Roode Steen in Hoorn. Dat is het oordeel van de duizenden bezoekers van de rechtzaak in het Westfries Museum. Zestig procent was het niet eens met de aanklacht tegen de voormalig gouverneur-generaal van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC).
Bezoekers van het Westfries Museum konden zich de afgelopen weken uitspreken uitspreken voor of tegen Jan Pieterszoon Coen. Tijdens een tentoonstelling in de vorm van een rechtszaak, met Maarten van Rossem als rechter van dienst, konden de bezoeker als jurylid een oordeel vellen over de vraag of het standbeeld van de omstreden VOC voorman op de Roode Steen mag blijven staan of niet. Meer dan 7000 bezoekers, jong en oud spraken zich uit.
De aanklacht in de rechtszaak luidde: Coen is niet standbeeldwaardig. Duizenden bezoekers spraken zich hierover uit en 60 procent was het niet eens met de aanklacht tegen de voormalig gouverneur-generaal van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC).
De muren van de tentoonstellingsruimte, waar de bezoekers hun oordeel kunnen vellen over de aanklacht ‘Jan Pieterszoon Coen is niet standbeeldwaardig’ hangen van boven tot onder vol met stickers. De bezoekers maakten massaal gebruik van de mogelijkheid om hun oordeel toe te lichten. ‘Zonder Coen geen poen’ , schreef een bezoeker met een dichterlijke ziel, die duidelijk voor het standbeeld is. Er hangen ook meer gefundeerde meningen : ‘Coen heeft goede dingen gedaan die standbeeldwaardig zijn. Hij kan niet beoordeeld worden naar onze normen van de 21 eeuw. In die tijd waren andere dingen normaal. Ook heeft het standbeeld herinneringen voor mensen. Dus laat Coen staan.’ ‘Helden zijn geen heiligen’ schrijft een ander die het duidelijk ook niet met de aanklacht eens is. Maar tegenstanders van het standbeeld waren er ook. Vooral het geweld dat Coen gebruikte om zijn doelen te bereiken telt voor hen zwaar. ‘Wat een verschrikkelijk wrede man, die Coen. Wat een leed heeft hij anderen aan gedaan. Zelfs in die tijd was het niet normaal wat hij deed. Zet dat standbeeld maar weg. Net als Stalin, Kadaffi en Sadam Hoessein.’
Wat opvalt is dat de verhouding tussen voor en tegenstanders van het standbeeld onder de basisschoolleerlingen gelijk is aan die onder de volwassen bezoekers. De leerlingen hebben wel zo hun eigen motivatie. ‘Coen ging niet goed met mensen om’, schrijft een leerling van de Mariaschool die tegen het standbeeld is. Een voorstander van de Pancratiusschool is het daar niet mee eens ; ‘Hij heeft veel geld verdiend en als hij geen mensen had vermoord, had iemand anders het wel gedaan’.